Plannetjes maken


Kanker en Corona.

Toen ik 12 juni van 2019 te horen kreeg dat ik longkanker, schildklierkanker en uitzaaiingen naar lymfeklieren had, toen gebeurde er iets met me dat ik niet in onder woorden kan brengen. Niet omdat ik dat niet zou willen, maar puur omdat ik echt niet zou weten hoe ik moet omschrijven wat ik voelde. Nooit, maar dan ook echt nooit had ik er echt bij stil gestaan wat je zou voelen als je zo'n boodschap kreeg. Ik wist niet wat me overkwam. Nu heb ik al twee maal eerder iets meegemaakt dat ik niet kan omschrijven -daarover later meer-, maar dit was weer van een totaal andere orde en een heel ander gevoel.   

Nu, 20 april 2020, inmiddels ruim 10 maanden, 3 operaties en 3 maanden chemo-kuren verder, lig ik met een halve long minder, verwijderde schildklier, 19 verwijderde lymfelklieren in quarantaine in het UMCU. Ik onderga nu een radiactieve behandeling die gericht is op het aanvallen van achtergebleven kankercellen. Ik kan nu nog steeds niet exact onder woorden brengen wat ik voelde en dacht op die 12e juni. Wat ik wel weet is dat ik van twee eerdere ervaringen die ik eerder heb gehad nooit echt heb durven zeggen. Ervaringen die ik ook niet echt onder woorden kan brengen. Ook hier weer niet omdat ik het niet zou willen, maar omdat het een onmogelijke opgave is. Want ja, hoe breng je onder woorden wat je voelt als je iets waarneemt waar je eerste vijf zintuigen niet degene zijn waar je het mee ervaart. Je kan het niet ruiken, niet zien, niet horen, niet vastpakken, niet in tijd zetten en toch heb je het allemaal gevoeld en meegemaakt. 

 

Terug in de tijd.
15 oktober 2005. Ik was 44 jaar, had te lang te ongezond geleefd en was stress als normaal verschijnsel gaan zien.
Toen ik naar beneden keek zag ik een ambulance-broeder zich over een man buigen die op straat lag. Die man die daar op straat lag was even daarvoor van zijn fiets gestapt en tegen een lantaarnpaal gaan zitten. Hij voelde zich niet goed. Hij was extreem moe en moest gewoon stoppen om uit te rusten. Hij was nog nooit zo moe geweest. Hij wist in zijn binnenste dat hij het niet kon maken om te stoppen want hij begeleide op dat moment met een groep jonge kinderen die op de fiets onderweg waren naar het voetbalveld van GJS. Zijn ploegje ging daar spelen en hij was verantwoordelijk voor die jongens. Toch moest hij stoppen. Hij kon niet meer. 'Ik moet doorfietsen' dacht hij nog. GJS C2 was de tegenstander van vandaag en de man die op de grond lag was de trainer van de groep jonge voetballertjes. Een groep die hij, samen met de leider Maarten naar het veld begeleide. Woerkum See Twee - de geuzennaam die het jeugd-elftal van Woudrichem C2 had, was een team van jongens van 11-12 jaar. Leider Maarten fietste voorop en de man die nu op straat lag reed acheraan de groep. Zo konden ze de jongens goed in het oog houden en bleef de groep mooi bij elkaar. Maar doorfietsen lukte hem gewoon niet meer. Ook al was het een slakkengangetje dat Maarten hanteerde, hij kon de groep niet meer bijhouden. Ze gingen te snel. Hij moest stoppen. Stoppen, afstappen en zo snel mogelijk met zijn rug tegen die lantaarnpaal gaan zitten om te rusten. Hij stapte af, liet zijn fiets uit zijn handen vallen, viel zelf ook half en plofte tegen de lantaarnpaal. 'Even zitten. Even bijkomen. Eventjes uitrusten en dan weer verder' dacht hij.

Toen ik naar de man keek en zag dat hij ook niet meer kon zitten, maar ging liggen, kwam Maarten heel snel terug gefietst. Maarten was door één van de jongens uit het team op de hoogte gebracht dat de trainer was afgestapt. Maarten zag de man liggen en belde direct 112. Ik hoorde Maarten zeggen dat er met spoed een ambulance naar de Paddemoes - de straat waar dit gebeurde - in Gorinchem moest komen omdat er iemand een hartinfarct had gekregen. Je kon aan Maarten zien dat hij in paniek was, maar hij was alleszins paniekerig. Hij sprak rustig en kalm en duidelijk. Hij had het groepje jongens, die toch al redelijk in de buurt van het voetbalveld waren, opdracht gegeven om door te fietsen en daar op hem te wachten. Inmiddels had Maarten ook al een aantal ouders gebeld om door te geven wat er onderweg naar het veld was gebeurd en het goed zou zijn als er een paar van de ouders zo spoedig mogelijk naar het veld zouden komen om de jongens daar op te vangen. 
De ambulance was snel aanwezig. Binnen hooguit 5-6 minuten waren ze op de plek des onheils. Ze reden "toevallig" net in de buurt en waren op weg van Nijmegen, waar ze een patient hadden gebracht, op de terugweg naar Gorinchem. Vlak voor de afslag die richting de Paddemoes leidde kregen ze de oproep. Een ambulance broeder schoof/reed de brancard uit de auto terwijl de andere ambulance-broeder naast de man op straat knielde om hem te gaan onderzoeken en verzorgen. Ik zag hoe deze broeder snel en deskundig handelde en de diagnose stelde. 'Een zwaar ondewand infarct', dacht de broeder. Hij deed zijn best om de man op straat gerust te stellen en wakker te houden. Hij sprak rustig op de man in en vertelde hem dat hij niet in paniek moest raken,en dat hij hem zou gaan verzorgen en klaar maken voor transport. 'U heeft infarct gehad' zei de broeder tegen de man. 'Ik ga infuus inbrengen en u klaar maken om u zo spoedig mogelijk naar het ziekenhuis te brengen. Er is echt haast bij' zei de broeder. De man antwoordde niet en leek steeds verder in slaap te zakken. Dat is iets wat de broeder absoluut wilde voorkomen en maakte op gepaste zorgvuldige wijze haast bij het inbrengen van een infuus. Dit zou de man helpen de bloedsomloop toch een beetje op gang te laten blijven en het hart -dat gedeelte dat nog wel werkte- iets extra te geven zodat het toch nog bleef kloppen. 'Nog even wakker blijven hoor meneer'. 'Het is ernstig en het zal wellicht moeilijk zijn, maar probeer vooral wakker te blijven.' zei de broeder. Ik ben bij u en we gaan met grote spoed naar het ziekenhuis. Net toen de broeder het infuus aanbracht draaide de man op de grond met zijn been en kwam zijn knie met een schok tegen de elleboog van de broeder. Deze viel half en stak de naald van het infuus hierdoor dwars door de bovenkant van hand van de patient die op straat lag. Ik zag het gebeuren, Oei, dat moet toch wel heel zeer doen dacht ik...

Op dat moment besefte ik op één of andere manier dat die man die ik zag liggen ik zelf was. Ik vond het niet eens raar dat ik mezelf zag liggen. Ik zag daar mijn lichaam liggen en er werd aan mijn lichaam gewerkt. Het gaf me rust. Doe maar rustig aan dacht ik nog, ik ben oké. Ik hoorde ook de stem van mijn oudere zus Corrie. Mijn zus had een paar honderd terug in de straat een eigen kledingherstel bedrijf en was door één van de omstanders op de hoogte gebracht dat haar broertje een hartinfarct had gekregen op straat. Er was paniek op straat. Ik leek weg te zakken. Ik zag het gebeuren en zag de angst in de ogen van Corrie, Maarten en de bezorgdheid van de broeder in hun ogen. Ook bij een omstander, een wat oudere man die een misplaats grapje -Hij heeft zeker teveel gezopen- maakte zaq ik paniek in zijn ogen. Ik vond het gewoon dat ik het allemaal zag en dat ik iedereen, ik kan het niet in tijd omschrijven, maar het beste kan ik misschien zeggen op het zelfde moment, recht in de ogen kon kijken en zag wat ze allemaal voelden en dachten. Wat een paniek dacht of voelde ik. Die man daar op de grond gaat echt niet dood hoor. Ondanks de angst die de broeder had en de conditie waarin het liuchaam op dat moment was wist ik gewoon dat die man daar op de grond niet dood ging. Die man op de grond, ik dus, kreeg op één of andere manier een gevoel, zekerheid, stem, bewustzijn of hoe je het ook kan noemen, dat hij hier op de wereld nog niet klaar was.

De ambulance zette alle toeters en bellen aan en ging met stevige snelheid op weg. Ik lag inmiddels gekoppeld aan infuus en kreeg een paar injecties. De broeder die mij verzorgde had ook direct radio-contact met de centrale en gaf aan dat ze met een patiënt met spoed naar UMC-Utrecht gingen. 'Ga maar naar het Beatrix in Gorinchem' hoorde in de mevrouw op de centrale zeggen. 'Nee we gaan naar Utrecht want dit is een zwaar onderwand infarct. Hier is Utrecht nodig' gaf hij aan. De mevrouw in de centrale protesteerde een beetje en zei dat ze toch beter naar Het Beatrix Ziekenhuis in Gorinchem konden gaan. 'Nee, nee, nee' zei de broeder. 'We moeten naar Utrecht en daar moet direct actie worden ondernomen anders gaat die man het zeker niet redden. Dit is een heel zwaar onderwand infarct en moet met de juiste apparatuur en de juiste mensen worden aangepakt' De broeder was zeer resoluut. Mijn zus, die ook in de ambulance had plaatsgenomen hoorde dit uiteraard ook en werd witter en witter. Ze voelde dat haar broertje aan het doodgaan was. Wees maar gerust hoor, dacht ik. Ik ga echt niet dood. Ik heb hier nog veel te veel te doen. Terwijl we met heel hoge snelheid en loeiende sirenes naar het ziekenhuis reden zakte mijn lichaam steeds verder weg en kon ik mijn ogen niet meer open houden en niets meer zeggen. Ik hoorde wel alles om me heen. 'Ga aan de kant' riep mijn zus, en maakte zich boos omdat er weggebruikers waren die zeer laks waren om de ambulance door te laten.   

Binnen 25-30 minuten nadat ik van de fiets was gestapt lag ik op een operatiekamer in het UMC. 'Meneer van Veen, wakker blijven' hoorde ik de arts zeggen. U ligt op de OK in het UMCU en u heeft een zwaar onderwand-infarct gehad. Terwijl de professor deze woorden uitsprak bracht hij een naald in mijn lies aan en ging met camera en al door mijn aders op weg naar mijn hart. 'Er wel bij blijven hoor. Ik ben er bijna' gaf hij aan en hij bleef tegen me praten. 'Als u uw ogen open doet kunt u meekijken op de monitor hier' zei hij. 'Dan kunt u zien wat we aan het doen zijn en wat er gebeurt.' Mijn lichaam was heel moe. Zo moe was het nog nooit geweest. Mijn ogen openen was iets dat al bijzonder veel kracht eiste. En toch, toch wist ik dat het goed kwam. Goed in de vorm dat ik zou blijven leven. Dit gevoel, deze zekerheid had ik nog nooit zo sterk gehad. Ik heb al eerder aangegeven dat ik ook niet kan omschijven wat het is. Het is geen geloof of het is geen zekerheid of gevoel of wat dan ook. Het is beste kan ik het misschien nog omschrijven dat het een waarheid is die je voelt die je nog nooit zo ervaren hebt. Ik zou op deze wereld blijven en mijn taak afmaken. Dat voelde, wist, ervaarde ik.

Ik deed mijn ogen open en zag op de monitor dat aan het einde van het slangetje dat via mijn lies naar binnen was gebracht een bobbeltje. Een bobbeltje dan een soort ballonetje bleek te zijn. Dat slangetje en ballonetje waren zaten in de ader net onder mijn hart. 'Kijk wat er nu gaat gebeuren' zei de professor tegen de studenten, assistenten en andere medici die rondom de operatietafel met mij en alles wat met mij te maken had bezig waren. Hij noemde een aantal termen die ik niet meer kan herinneren, maar het woord Delta bleef bij me hangen. Misschien had hij het woord Delta niet eens genoemd, maar ik zag dat het ballonnetje knapte en er plotseling een soort delta leek vol te lopen met vloeistof. Die Delta was het onderste gedeelte van mijn hart. Plotseling liep daar veel water heel veel hele kleine riviertjes die eerst droog leken te staan. Het was mijn hart dat weer bloed kreeg. Het was fantastisch om te zien. 'Meneer van Veen?' Ja, antwoordde ik. Mijn lichaam kon weer praten. Ik kon de professor gewoon antwoord geven. Ik kon mijn ogen weer ver open doen. Ik voelde totaal geen pijn meer op mijn borst. Pijn en druk op mijn borst waar ik in de loop van de tijd een soort van gewend aan was geraakt was plotseling helemaal weg. Mijn hart kreeg weer "normaal" bloed en zuurstof. 

Eenmaal terug van de OK op IC aangekomen besefte ik, die me altijd al anders had gevoeld, nu iets had meegemaakt dat me ervan had doordrongen dat die andere gevoelens die ik voorheen al had, maar nooit echt onder woorden kon of durfde te brengen, niet op niets waren gegrond. Het anders voelen voelde nu voor het eerst in mijn leven echt geweldig. Wonderen bestaan en er is gelukkig veel meer dan we met onze - bekende - zintuigen beseffen.  


Klik hier om een tekst te typen.

Klik hier om een tekst te typen.